Diagnostisch onderzoek

Hoogbegaafdheid is uiteraard veel meer dan een hoog IQ. Toch blijft het maken van een betrouwbare en objectieve schatting van de intellectuele potentie van een kind of jongere onmisbaar binnen het diagnostisch proces. Observatiegegevens zijn hierbij belangrijk. Daarnaast is het belangrijk om de ontwikkeling, het sociaal-emotionele functioneren en eventuele stressoren en copingmechanismen in beeld te brengen. 

Bij het vermoeden van hoogbegaafdheid is het belangrijk dat de diagnostiek wordt gedaan door iemand met deskundigheid op het gebied van hoogbegaafdheid, ontwikkelingspsychologie, trauma en classificerende diagnostiek. De ervaring leert namelijk dat hoogbegaafde kinderen regelmatig onderpresteren op een intelligentieonderzoek. En dat er regelmatig misdiagnoses plaatsvinden en/of ontwikkelings- en leerstoornissen worden gemist.  

Er is sprake van een grote overlap tussen gedragskenmerken die kunnen voortvloeien uit (niet gesignaleerde) hoogbegaafdheid en (gedrags)symptomen van ontwikkelingsstoornissen zoals AD(H)D, ODD, ASS en bijvoorbeeld stemmingsstoornissen. Daarnaast zijn er veel onverenigbare gedragskenmerken.

Als er dus geen zicht is op of kennis van hoogbegaafdheid kunnen gedragskenmerken onterecht geduid worden als een stoornis. Aan de andere kant kunnen hoogbegaafde kinderen of jongeren hun onvermogen als het gevolg van een eventuele stoornis soms langere tijd verbergen of compenseren. Hierdoor blijft een diagnose (bij de zogenaamde ‘twice-exceptionals’) uit. Deskundige diagnostiek is daarom van groot belang voor het geven van passende pedagogische adviezen en handelingsadviezen (voor het kind, ouders, school en eventuele hulpverlening), maar vooral voor het welbevinden en zelfbeeld van het kind.

De basis van onze diagnostiek ligt in het Differentiatiemodel van Begaafdheid en Talent van Gagné (2010). Op basis van dit model wordt gekeken naar de aangeboren vaardigheden zoals: intelligentie, sensitiviteit, analytisch vermogen en creativiteit. Daarnaast worden het (geboden) leerproces, de omgevingsfactoren en intrapersoonlijke factoren in kaart gebracht. Deze factoren zijn bepalend in het al dan niet tot uiting (kunnen) komen van een aangeboren talent. 

Er zijn verschillende onderzoeken mogelijk. Dat varieert van een intelligentieonderzoek tot een sociaal-emotioneel onderzoek bij vermoedens van bijvoorbeeld AD(H)D of ASS. Het onderzoek is altijd maatwerk en wordt afgestemd op de kenmerken van het kind (zoals de leeftijd) en de hulpvraag. Om onnodige diagnostiek te voorkomen starten we meestal met een uitgebreid intelligentieonderzoek in combinatie met een ontwikkelingsanamnese. Vanuit dit uitgangspunt kijken we samen met het kind en de ouders of aanvullende diagnostiek nodig is.